Desinformatie in lesmateriaal Astra op ontdekking

Kinderen verdienen inclusie én juiste informatie

Twaalf claims uit Astra op ontdekking gecontroleerd

De COC-handleiding Astra op ontdekking bevat waardevolle boodschappen over respect, acceptatie en het tegengaan van pesten. Maar de handleiding bevat ook verkeerde feiten, te stellige wetenschappelijke conclusies en bronverwijzingen die niet kloppen.

Dat is bij lesmateriaal voor jonge kinderen extra problematisch. Kinderen kunnen de betrouwbaarheid van bronnen nog niet zelf beoordelen. Leerkrachten moeten er daarom op kunnen vertrouwen dat een onderwijsorganisatie feiten zorgvuldig weergeeft.

Wij controleerden alle 32 pagina's van de handleiding, inclusief de volledige referentielijst.

Kort oordeel

De wetenschappelijke onderbouwing is niet betrouwbaar genoeg.

We vonden:

  • 12 claims met een belangrijk inhoudelijk probleem;
  • minstens 8 foutieve of onduidelijke bronkoppelingen;
  • verschillende stellige beweringen waarvoor helemaal geen bron wordt gegeven.

Waarom dit ertoe doet

Feiten en waarden moeten uit elkaar worden gehouden

Dat ieder kind respectvol behandeld moet worden, is een waarde en een pedagogisch uitgangspunt. Beweringen over biologie, psychologie, bevolkingscijfers en de ontwikkeling van kinderen zijn controleerbare feitelijke claims.

Die claims moeten kloppen, ongeacht het maatschappelijke doel waarvoor ze worden gebruikt.

Kinderen mogen geen schijnzekerheid leren

Uitspraken als "wetenschappers zijn het erover eens" wekken de indruk dat er geen onzekerheid of wetenschappelijk debat bestaat.

Juist bij ingewikkelde onderwerpen moeten kinderen leren dat kennis genuanceerd kan zijn en dat niet iedere vraag één eenvoudig antwoord heeft.

Een voetnoot moet daadwerkelijk bewijs leveren

Een voetnoot wekt vertrouwen. Een leerkracht zal niet snel vermoeden dat de genoemde publicatie over een heel ander onderwerp gaat.

Wanneer bronverwijzingen niet kloppen, wordt de indruk van wetenschappelijke onderbouwing gewekt zonder dat die onderbouwing er werkelijk is.

Claim voor claim

1. Seksuele ontwikkeling begint niet pas op achtjarige leeftijd

"De verkenning rondom seksuele ontwikkeling start al vanaf 8 jaar."

Deze uitspraak op PDF-pagina 4 is onjuist.

Kinderen ontwikkelen lichaamsbesef, gevoelens, relaties en persoonlijke grenzen al veel eerder. Internationale richtlijnen beschrijven seksuele ontwikkeling als een proces dat vanaf de vroege kindertijd plaatsvindt. Leeftijdsgerichte vorming kan vanaf het begin van de basisschool worden gegeven en thuis zelfs eerder beginnen.

De handleiding verwart vermoedelijk de mogelijke bewustwording van seksuele oriëntatie met seksuele ontwikkeling in brede zin. Door daar één harde leeftijd aan te verbinden, krijgen leerkrachten een verkeerd beeld van de normale ontwikkeling van kinderen.

Bron: WHO over leeftijdsgerichte seksuele vorming

2. Een oude online peiling wordt gepresenteerd als bevolkingsfeit

"In Nederland rekent 10% tot 12% van de bevolking zich tot de lhbti+-gemeenschap."

De genoemde cijfers zijn afkomstig uit een internationale Ipsos-enquête onder online ondervraagde volwassenen van 16 tot 74 jaar. Toch presenteert de handleiding ze zonder voorbehoud als cijfers over de gehele Nederlandse bevolking.

Bij publicatie van de handleiding was bovendien al een veel grotere CBS-meting beschikbaar. Volgens het CBS behoort ongeveer 18 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder tot de brede LHBTQIA-groep. Dat komt neer op circa 2,7 miljoen mensen.

Dat betekent niet automatisch dat de oude Ipsos-uitkomst "gelogen" was. De onderzoeken gebruiken verschillende definities en meetmethoden. Juist daarom hoort lesmateriaal die context te vermelden.

Bron: CBS – Hoeveel LHBTQIA-personen telt Nederland?

3. Van een ontwikkelingspatroon wordt een universele leeftijdswet gemaakt

"Vanaf 6 jaar zijn zij rigide in hun genderbeelden en stereotypen."

Kinderen kunnen op jonge leeftijd duidelijke ideeën ontwikkelen over wat bij jongens en meisjes zou passen. Maar kinderen verschillen onderling en hun ontwikkeling verloopt niet volgens één universele leeftijdsgrens.

Het grootste probleem is de voetnoot. De genoemde bron gaat over gendernonconform gedrag, pesten en suïcidaliteit onder homoseksuele mannelijke jongeren. Die publicatie toont niet aan dat alle kinderen vanaf hun zesde rigide genderbeelden hebben.

De stellige formulering wordt dus niet ondersteund door de opgegeven bron.

4. Opvallend precieze percentages zijn niet te controleren

"Een derde" vindt dat een gendernonconforme leeftijdsgenoot niet mag meedoen. "40%" vindt dat deze leeftijdsgenoot het gedrag moet aanpassen.

Dit zijn ernstige en opvallend precieze percentages. Toch vermeldt de handleiding niet:

  • in welk land het onderzoek plaatsvond;
  • hoeveel kinderen deelnamen;
  • hoe oud de kinderen waren;
  • hoe de vragen precies werden gesteld;
  • uit welke tabel de percentages afkomstig zijn.

De twee opgegeven bronnen leveren deze informatie niet herkenbaar. Eén publicatie betreft retrospectief onderzoek onder lhbti-jongeren en jongvolwassenen. De andere bron is een algemeen methodiekboek.

Zonder controleerbare herkomst mogen deze cijfers niet worden gepresenteerd alsof ze gelden voor basisschoolkinderen in het algemeen.

5. "Sekse is een spectrum" wordt als vaststaand feit gebracht

"Sekse is dus een spectrum."

De handleiding legt terecht uit dat chromosomen, hormonen, anatomie en secundaire geslachtskenmerken niet bij iedereen volledig volgens hetzelfde patroon samenkomen.

Maar daaruit volgt niet automatisch dat sekse één lineair spectrum is waarop ieder mens een unieke positie inneemt.

Binnen de wetenschap bestaan verschillende manieren om sekse te beschrijven. Voortplantingsbiologen werken veelal met twee reproductieve categorieën. Medisch en sociaalwetenschappelijk onderzoek kan daarnaast afzonderlijke geslachtskenmerken en variaties meten.

Een zorgvuldigere formulering is dat sekse een multidimensionaal biologisch kenmerk is. De kenmerken waaruit sekse wordt afgeleid, kennen variatie en vallen bij een kleine groep mensen niet volledig samen.

Door één interpretatie als onbetwist feit aan kinderen te leren, wordt een wetenschappelijk en begripsmatig debat onzichtbaar gemaakt.

Bron: National Academies over de multidimensionaliteit van sekse

6. De IAT kan geen persoonlijk vooroordeel diagnosticeren

"De IAT meet onbewuste vooroordelen en associaties."

De Implicit Association Test meet hoe snel iemand op dat moment bepaalde begrippen met elkaar associeert. De uitkomst kan veranderen door recente ervaringen, de situatie waarin de test wordt gemaakt en de gekozen testvariant.

Zelfs Project Implicit, de organisatie achter de test, waarschuwt dat de IAT niet gebruikt mag worden om individuele mensen te diagnosticeren of te beoordelen.

De test kan een aanleiding zijn voor een gesprek over automatische associaties. Hij kan niet betrouwbaar vaststellen welke verborgen vooroordelen een ouder of leerkracht bezit.

De handleiding maakt van een beperkt onderzoeks- en bewustwordingsinstrument een soort persoonlijke vooroordelentest.

Bron: Project Implicit over de beperkingen van de IAT

7. Er bestaat geen consensus over één eenvoudige oorzaak

"Wetenschappers zijn het er over eens dat seksuele oriëntatie en genderidentiteit waarschijnlijk biologisch (=in de baarmoeder) en genetisch bepaald zijn."

Deze uitspraak is onjuist.

Er bestaat geen wetenschappelijke consensus dat seksuele oriëntatie en genderidentiteit eenvoudigweg genetisch en in de baarmoeder worden bepaald.

De handleiding voegt bovendien twee verschillende onderwerpen samen. Seksuele oriëntatie gaat over duurzame romantische of seksuele aantrekking. Genderidentiteit gaat over hoe iemand zichzelf op het gebied van gender ervaart.

Onderzoek kijkt onder andere naar genetische, hormonale, biologische, ontwikkelings-, sociale en culturele factoren. Er is geen enkelvoudige oorzaak vastgesteld waarmee de identiteit of oriëntatie van een individueel persoon kan worden voorspeld.

De conclusie dat een les een kind niet zomaar homoseksueel of transgender maakt, is verdedigbaar. Maar daarvoor hoeft geen wetenschappelijke consensus te worden verzonnen die niet bestaat.

Bronnen: APA over seksuele oriëntatie en APA over transgenderidentiteit

8. "Geen sociale besmetting" is te absoluut geformuleerd

"Uit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van 'sociale besmetting'."

Er is geen goed bewijs dat kinderen homoseksueel of transgender worden doordat een leerkracht erover vertelt. Onderwijs kan kinderen wel woorden geven voor gevoelens of vragen die zij al hebben.

De handleiding gaat echter verder. Zij presenteert een breed en beperkt onderzocht vraagstuk alsof ieder mogelijk effect van de sociale omgeving definitief is uitgesloten.

Ook hier worden seksuele oriëntatie en genderidentiteit zonder uitleg samengevoegd. De ontwikkeling van identiteit, zelfbeschrijving, groepsvorming, gedrag en onderliggende gevoelens zijn niet allemaal hetzelfde.

Een zorgvuldige tekst zou zeggen dat er geen bewijs is dat inclusieve lessen de seksuele oriëntatie of genderidentiteit van kinderen veroorzaken. Dat is iets anders dan verklaren dat onderzoek iedere vorm van sociale invloed heeft uitgesloten.

9. Zelfdodingen, pogingen en gedachten worden door elkaar gehaald

"Het hoge aantal suïcides onder lhbti+-jongeren" heeft onder meer te maken met pesten en afwijzing.

Gedachten aan zelfdoding en zelfmoordpogingen komen aantoonbaar vaker voor onder verschillende groepen lhbti-personen. Afwijzing, discriminatie, pesten en minderheidsstress kunnen daarbij een rol spelen.

Maar de handleiding gebruikt het woord "suïcides". Dat verwijst normaal gesproken naar overleden personen.

Voor Nederlandse LHB-personen zijn de aantallen overlijdens door zelfdoding niet beschikbaar, omdat seksuele oriëntatie niet in de Nederlandse overlijdensregistratie wordt opgenomen. Onderzoek onder jongeren gaat daarom meestal over gedachten en pogingen.

Bij een onderwerp dat letterlijk over leven en dood gaat, zijn deze begrippen niet onderling verwisselbaar.

Bron: 113 Zelfmoordpreventie – feiten en cijfers over LHBT-personen

10. Een selecte steekproef wordt veralgemeniseerd

"De helft van de transpersonen [wist] voor hun 10e levensjaar dat zij trans zijn."

Deze uitspraak is gebaseerd op een SCP-onderzoek uit 2012 onder 459 volwassen respondenten.

De deelnemers rapporteerden op welke leeftijd zij merkten dat hun genderidentiteit niet geheel overeenkwam met hun geboortegeslacht. Dat is subtiel maar wezenlijk anders dan de formulering dat zij op die leeftijd al "wisten dat zij trans zijn".

Bovendien was de onderzoeksgroep niet representatief voor alle transgender personen. De respondenten werden voor een belangrijk deel via transgenderorganisaties en -netwerken geworven. Het SCP-rapport waarschuwt zelf dat het om een selecte groep gaat.

Een uitkomst uit deze onderzoeksgroep mag daarom niet zonder voorbehoud worden vertaald naar "de helft van de transpersonen".

Bron: SCP – Worden wie je bent

11. Media-invloed wordt verward met het vormen van een identiteit

"Media, zoals boeken en films, kunnen bijdragen aan de vorming van de seksuele en genderidentiteit van kinderen."

Boeken en films kunnen kinderen helpen zichzelf en anderen te herkennen. Media kunnen taal, voorbeelden en rolmodellen bieden. Dat betekent nog niet dat media de seksuele oriëntatie of genderidentiteit van een kind vormen.

De voetnoot bij deze uitspraak ondersteunt de bewering niet. De genoemde publicatie gaat over samenspel tussen kinderen.

Een andere publicatie in de referentielijst gaat over mogelijke positieve media-invloeden op de seksuele gezondheid en ontwikkeling van jonge vrouwen. Ook dat is geen bewijs dat kinderboeken de seksuele of genderidentiteit van basisschoolkinderen vormen.

De formulering kan bij ouders ten onrechte zowel angst als zekerheid oproepen over wat lesmateriaal met de identiteit van een kind doet.

12. Een risico op discriminatie wordt een universele ervaring

"Wat intersekse personen gemeenschappelijk hebben is dat ze discriminatie meemaken."

Intersekse is een verzamelterm voor mensen die geboren zijn met geslachtskenmerken die niet volledig binnen de gebruikelijke definities van mannelijke of vrouwelijke lichamen vallen.

Intersekse personen kunnen te maken krijgen met discriminatie, geheimhouding, stigmatisering of niet-noodzakelijke medische behandelingen. Dat risico verdient serieuze aandacht.

Maar niet iedere intersekse persoon heeft dezelfde ervaringen. Niet iedereen identificeert zich op dezelfde manier en niet iedereen heeft aantoonbaar discriminatie meegemaakt.

De handleiding definieert een hele groep mensen aan de hand van één veronderstelde maatschappelijke ervaring. Daarmee vervangt zij een onjuiste simplificatie door een andere.

Bron: OHCHR over de definitie en positie van intersekse personen

Het bronnenprobleem

De gebrekkige voetnoten vormen een structureel probleem.

Vanaf ongeveer pagina 5 verwijzen verschillende voetnoten naar publicaties die de bijbehorende uitspraak niet behandelen:

  • Voetnoot 14 bij de ontwikkeling van de toolkit verwijst naar een SCP-rapport over transgender volwassenen.
  • Voetnoot 15 bij een figuur over de representatie van mannen en vrouwen in schoolboeken verwijst naar SLO en kerndoel 38. De daadwerkelijke bron van de figuur lijkt nummer 17 te zijn.
  • Voetnoot 21 bij uitspraken over normen in de kleuterklas verwijst naar een klinisch minderheidsstressmodel voor transgender en gendernonconforme cliënten.
  • Voetnoot 24 bij gemengd spelen verwijst naar onderzoek over de relationele en seksuele ontwikkeling van intersekse jongeren.
  • Voetnoot 25 bij counterstereotypering verwijst naar onderzoek naar genitale operaties bij kinderen met DSD.
  • Voetnoot 26 bij de invloed van media verwijst naar onderzoek naar speelgroepen van kinderen.
  • Referenties 27 en 28 lijken eigenlijk voor enkele van de voorafgaande uitspraken bedoeld, maar worden nergens correct aangehaald.
  • Het vraag-en-antwoordgedeelte op pagina 12 tot en met 14 bevat belangrijke wetenschappelijke en causale uitspraken zonder één voetnoot.

Een lezer kan daardoor niet zien of een bewering werkelijk door onderzoek wordt ondersteund.

Ook de begrippenlijst is niet altijd zorgvuldig

De begrippenlijst gebruikt verschillende onnodig beperkte of misleidende definities.

"Biseksueel" wordt gedefinieerd als aantrekking tot mannen én vrouwen. Tegenwoordig wordt vaak gesproken over aantrekking tot meer dan één gender. Die formulering sluit non-binaire personen niet bij voorbaat uit.

Bij heteroseksualiteit en homoseksualiteit gebruikt de handleiding het woord "voorkeur". Dat kan suggereren dat seksuele oriëntatie een bewuste keuze is. "Duurzame romantische en/of seksuele aantrekking" is nauwkeuriger.

Non-binair wordt beperkt tot "geen van beiden of allebei". Daarmee ontbreken onder andere identiteiten tussen, buiten of wisselend rond man en vrouw.

Genderexpressie wordt omschreven als de manier waarop mensen het gender uiten waarmee zij zich identificeren. Genderexpressie hoeft echter niet overeen te komen met iemands genderidentiteit. Een jongen met nagellak hoeft daarmee bijvoorbeeld geen andere genderidentiteit uit te drukken.

Ten slotte staat onder het kopje "Overig" opnieuw een deel van de tabel over seksuele oriëntatie. Dat is vermoedelijk een redactionele kopieerfout.

Wat klopt er wel?

Niet alles in Astra op ontdekking is onjuist.

Basisscholen moeten aandacht besteden aan de inhoud van kerndoel 38. Daaronder valt respectvol omgaan met seksualiteit en diversiteit, waaronder seksuele diversiteit.

Scholen mogen grotendeels zelf bepalen hoe zij de kerndoelen in hun onderwijs uitwerken.

Ook klopt het dat goed uitgevoerde, brede en leeftijdsgerichte seksuele vorming niet tot eerder seksueel gedrag leidt. Onderzoek laat juist zien dat goede voorlichting later en veiliger seksueel gedrag kan ondersteunen.

Verder is voldoende aangetoond dat lhbti-jongeren extra last kunnen hebben van pesten, afwijzing, discriminatie en minderheidsstress. Een veilig schoolklimaat is daarom belangrijk.

Bronnen: SLO over kerndoel 38 en WHO over brede seksuele vorming

Conclusie

De centrale boodschap van Astra op ontdekking — behandel ieder kind met respect en sluit niemand buiten — is waardevol.

Maar kinderen hoeven daarvoor geen verouderde cijfers, absolute wetenschappelijke uitspraken of verkeerd gekoppelde bronnen te leren.

Wanneer lesmateriaal maatschappelijke waarden combineert met gebrekkige feitelijke informatie, heeft dat verschillende nadelen:

  • kinderen krijgen een te eenvoudig of onjuist wereldbeeld;
  • leerkrachten nemen mogelijk foutieve informatie over;
  • ouders kunnen niet betrouwbaar controleren waarop lessen zijn gebaseerd;
  • wetenschap wordt gebruikt als gezagsargument in plaats van als controleerbare kennis;
  • het gesprek over diversiteit wordt kwetsbaarder en polariserender.

Inclusie en wetenschappelijke nauwkeurigheid zijn geen tegenpolen. Goed onderwijs heeft beide nodig.

Wij spreken daarom van misinformatie en wetenschappelijk onbetrouwbare informatie. Uit de handleiding alleen kan niet worden vastgesteld dat de makers bewust wilden misleiden. Het woord "desinformatie" zou zonder bewijs van opzet te stellig zijn.

Verantwoording

Voor deze analyse is de volledige handleiding van 32 PDF-pagina's gelezen, inclusief de begrippenlijst en alle 28 referenties.

Concrete uitspraken zijn vergeleken met de aangehaalde publicaties en met informatie van onder meer het CBS, de WHO, de American Psychological Association, SLO, het Sociaal en Cultureel Planbureau, 113 Zelfmoordpreventie, Project Implicit, de National Academies en de Verenigde Naties.