Homoacceptatie onder jongeren daalt, maar wat wordt precies gemeten?

Twee grote onderzoeken naar de opvattingen van jongeren lijken een verschillend beeld te geven. De Universiteit van Amsterdam sprak in maart 2026 over grotendeels stabiele opvattingen. Het HBSC-onderzoek meldde in september een sterke daling van de homoacceptatie. Wie de vragen achter de cijfers bekijkt, ziet dat de onderzoeken niet hetzelfde meten.

Op 21 september 2026 verschenen alarmerende berichten over de houding van jongeren tegenover homoseksualiteit. Volgens het nieuwe HBSC-onderzoek daalde het aandeel middelbare scholieren met een positieve houding tussen 2021 en 2025 van 59 naar 37 procent. Bij jongens ging het van 40 naar 22 procent en bij meisjes van 78 naar 51 procent.

Dat is een duidelijke en zorgelijke verandering. Maar wat betekent in dit onderzoek een ‘positieve houding’? En hoe verhoudt deze uitkomst zich tot het UvA-onderzoek dat een halfjaar eerder concludeerde dat de lhbtiq+-opvattingen van jongeren grotendeels stabiel waren gebleven?

De onderzoeken spreken elkaar niet zonder meer tegen. Ze stellen andere vragen, gebruiken andere steekproeven en geven een andere betekenis aan woorden als acceptatie, progressief en conservatief. Juist die verschillen bleven in veel mediaberichten buiten beeld.

Het UvA-onderzoek: vijf verschillende onderwerpen

In maart 2026 publiceerde de Universiteit van Amsterdam het rapport De lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Het onderzoek was uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

In de berichtgeving werd vaak gesproken over een grootschalig onderzoek onder ruim 31.000 jongeren. Dat aantal vraagt om uitleg. Het rapport gebruikte twee afzonderlijke datasets met verschillende vragen.

De grootste dataset bestond uit 30.120 leerlingen uit de eerste drie leerjaren van 114 middelbare scholen. Zij reageerden op twee stellingen:

  • “Alle mensen zijn gelijkwaardig, ook mannen die op mannen, vrouwen die op vrouwen, en mannen die op vrouwen verliefd worden.”
  • “Je mag zelf weten of je op een jongen of meisje verliefd bent.”

Daaruit bleek dat 59 procent de gelijkwaardigheidsstelling onderschreef en 65 procent de stelling over verliefdheid. De overige antwoorden werden door de onderzoekers als ‘conservatief’ geclassificeerd. De gebruikte vierpuntsschaal had geen neutrale antwoordmogelijkheid.

De vragen over gender, Paarse Vrijdag en toiletten werden niet aan deze ruim 30.000 leerlingen gesteld. Die kwamen uit een veel kleinere dataset van 1.656 leerlingen van acht middelbare scholen:

  • 54 procent stemde in met “Of je een jongen of meisje bent, staat vast vanaf je geboorte.”
  • 41 procent was tegen de stelling “Alle scholen moeten Paarse Vrijdag vieren”; 32 procent was voor en 28 procent antwoordde neutraal.
  • 61 procent was tegen de stelling “Minstens de helft van de toiletten op school moet genderneutraal zijn.”

Deze kleinere steekproef was volgens de onderzoekers niet volledig representatief. Vwo-leerlingen en niet-religieuze jongeren waren oververtegenwoordigd, terwijl vmbo-leerlingen en jongeren met een migratieachtergrond waren ondervertegenwoordigd.

Gelijkwaardigheid, biologie en beleid zijn niet hetzelfde

Het UvA-rapport noemt deze vijf onderwerpen gezamenlijk ‘lhbtiq+-opvattingen’. Toch meten ze verschillende zaken.

De eerste twee stellingen gaan over de gelijkwaardigheid van mensen en de vrijheid om verliefd te worden. De andere stellingen gaan over een opvatting over sekse en gender en over twee concrete beleidskeuzes binnen scholen.

Iemand kan gelijke behandeling van homoseksuele en heteroseksuele mensen volledig onderschrijven en tegelijk vinden dat:

  • jongen of meisje zijn naar lichamelijk geslacht verwijst;
  • een school niet verplicht Paarse Vrijdag hoeft te vieren;
  • niet de helft van alle toiletten genderneutraal hoeft te worden.

Dat zijn niet automatisch afwijzingen van homoseksuele, transgender of non-binaire mensen. Het kunnen ook standpunten zijn over biologie, privacy, onderwijs, schoolautonomie of de wenselijkheid van een concrete maatregel.

Toch classificeert het rapport de antwoorden vooraf als progressief of conservatief. Niet instemmen met genderneutrale toiletten geldt als conservatief. Niet willen dat alle scholen Paarse Vrijdag vieren eveneens. Instemmen met de stelling dat jongen of meisje zijn bij de geboorte vaststaat, wordt ook als conservatief gecodeerd.

Die classificatie is een gekozen interpretatiekader. Zij beschrijft hoe een antwoord zich verhoudt tot hedendaagse progressieve en conservatieve posities, maar bewijst niet hoeveel respect een individuele leerling voor andere mensen heeft.

Het rapport erkent bovendien zelf dat de gebruikte variabelen maar beperkt inzicht geven in de acceptatie van lhbtiq+ personen. Ook staat erin dat verschillen tussen de uitkomsten kunnen samenhangen met de steekproef, de samenstelling van de onderzochte groepen en de gekozen vraagstelling.

Wat betekent ‘stabiel’?

De UvA concludeerde dat de opvattingen tussen 2021 en 2024 grotendeels stabiel waren gebleven. Toch veranderden de percentages wel.

Bij de gelijkwaardigheidsstelling daalde het als progressief geclassificeerde aandeel van 67 procent in 2021/22 naar 56 procent in 2023/24. Bij de vrijheid om zelf te bepalen op wie je verliefd wordt, ging het van 72 naar 63 procent.

De onderzoekers noemen deze verschuiving praktisch zeer klein. Dat komt doordat de verandering maar een klein deel verklaart van alle verschillen tussen individuele leerlingen. Statistisch is dat verdedigbaar. Maar het betekent niet dat een daling van negen tot elf procentpunten maatschappelijk onbelangrijk is.

‘Een zeer klein effect’ en ‘een zichtbare daling in percentages’ kunnen tegelijkertijd waar zijn. Het gaat om verschillende manieren om dezelfde gegevens te beschrijven.

Het HBSC-onderzoek meet iets anders

Het HBSC-onderzoek van Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut is een vierjaarlijks onderzoek naar de gezondheid en het welzijn van jongeren. In 2025 deden 1.510 leerlingen uit groep 8 en 5.103 leerlingen van 12 tot en met 16 jaar uit het reguliere voortgezet onderwijs mee.

Voor de schaal ‘positieve houding ten aanzien van homoseksualiteit’ reageerden leerlingen op drie stellingen:

  • “Homoseksuele jongens en lesbische meisjes mogen mijn vrienden zijn.”
  • “Ik vind het vies als twee jongens met elkaar zoenen.”
  • “Ik vind het vies als twee meisjes met elkaar zoenen.”

Op basis van de gemiddelde score werden leerlingen ingedeeld. Een gemiddelde boven 3,5 gold als een positieve houding. Een gemiddelde onder 1,5 gold als negatief. Antwoorden in het grote gebied daartussen waren dus niet positief volgens de gebruikte grens, maar ook niet negatief.

In 2025 werd 36,5 procent van de middelbare scholieren als positief geclassificeerd. Vijftien procent had volgens het rapport een negatieve houding. Dat betekent dat bijna de helft in het middengebied viel: neutraal, gemengd of niet duidelijk positief of negatief.

Dat onderscheid verdwijnt wanneer alleen wordt gemeld dat 22 procent van de jongens ‘positief’ is. De overige 78 procent kan niet automatisch als afwijzend of homofoob worden omschreven.

De daling is wel reëel

Deze kanttekening maakt de uitkomst niet onbelangrijk. HBSC stelt sinds 2009 dezelfde vragen. Daardoor kan de ontwikkeling door de tijd worden gevolgd.

Onder middelbare scholieren daalde het positieve aandeel tussen 2021 en 2025:

  • van 59,1 naar 36,5 procent in totaal;
  • van 40,3 naar 22,3 procent bij jongens;
  • van 78,1 naar 51,3 procent bij meisjes.

Ook in groep 8 daalde het positieve aandeel: van 56,8 procent in 2021 naar 42,1 procent in 2025.

Verder was meer dan 40 procent van de leerlingen het eens met de uitspraken dat zoenen tussen twee jongens of twee meisjes vies is. Bij zoenen tussen een jongen en een meisje was dat 11 procent in het voortgezet onderwijs. De veranderde houding kan dus niet alleen worden verklaard door een algemene afkeer van zoenen.

Ook denkt een kleiner deel van de middelbare scholieren dat een homoseksuele of lesbische leerling op school open kan zijn. Dat percentage daalde van 60 procent in 2021 naar 45 procent in 2025.

Dat laatste is een belangrijke aanwijzing over het ervaren schoolklimaat. Tegelijk blijft het een perceptievraag: leerlingen is gevraagd wat zij denken dat op hun school mogelijk is. Er zijn hiermee geen concrete incidenten, ervaringen van homoseksuele leerlingen of effecten van bepaalde schoolprogramma’s gemeten.

Jongere leerlingen antwoorden minder positief

Leeftijd speelt bij de HBSC-uitkomsten een duidelijke rol. Van de 12-jarige middelbare scholieren had 32 procent volgens de gebruikte schaal een positieve houding. Onder 16-jarigen was dat 47 procent.

Dat kan verschillende oorzaken hebben. Jongere kinderen kunnen sterker reageren op zoenen of lichamelijke intimiteit. Zij kunnen bovendien woorden als homoseksualiteit, verliefdheid en vriendschap anders begrijpen dan oudere jongeren.

Toch verklaart leeftijd de recente daling niet zomaar. De metingen uit 2021 en 2025 zijn zo ingericht dat dezelfde leeftijdsgroepen met elkaar kunnen worden vergeleken. De leeftijdsverschillen zijn vooral belangrijk om te begrijpen wat de schaal precies meet.

Migratieachtergrond: verschil in niveau, niet de verklaring voor de daling

HBSC vond dat jongeren met een migratieachtergrond minder vaak een positieve houding rapporteerden dan jongeren zonder migratieachtergrond: 31 tegenover 40 procent.

Dat verschil bestaat dus in de gegevens. Maar daaruit volgt niet dat veranderingen in de bevolkingssamenstelling de daling tussen 2021 en 2025 hebben veroorzaakt.

De onderzoekers zagen de daling zowel bij jongeren met als zonder migratieachtergrond. Bovendien was het aandeel jongeren met een migratieachtergrond in de steekproef in 2025 ongeveer gelijk aan dat in 2021.

Twee conclusies kunnen daarom tegelijkertijd waar zijn:

  • er bestaat een gemiddeld verschil tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond;
  • dat verschil verklaart de plotselinge landelijke daling niet.

Over oorzaken weten we nog weinig

In het HBSC-rapport worden verschillende mogelijke verklaringen genoemd. Seksuele en genderdiversiteit zijn nadrukkelijker onderwerp geworden van maatschappelijke discussie. De onderzoekers noemen onder meer kritiek op relationele en seksuele vorming, weerstand tegen regenboogvlaggen en Paarse Vrijdag, uitlatingen van politici, sociale media en de manosfeer.

Het rapport zegt echter ook dat nog onvoldoende is onderzocht of blootstelling aan zulke opvattingen daadwerkelijk leidt tot minder positieve antwoorden over homoseksualiteit.

HBSC toont een ontwikkeling, maar heeft de oorzaken daarvan niet onderzocht. Het onderzoek bewijst daarom niet dat:

  • sociale media of bepaalde influencers de daling hebben veroorzaakt;
  • kritiek op Paarse Vrijdag tot afwijzing van homoseksuele jongeren leidt;
  • een gebrek aan lhbtiq+-lessen de verklaring is;
  • meer Paarse Vrijdag of meer genderonderwijs de daling zal omkeren.

Dit zijn mogelijke verklaringen of beleidsopvattingen, geen uitkomsten van de meting zelf.

Geen bewijs voor het effect van Paarse Vrijdag

Ook het UvA-onderzoek toont niet aan dat Paarse Vrijdag de opvattingen of veiligheid van leerlingen verbetert.

De vraag in dat onderzoek was of alle scholen Paarse Vrijdag moeten vieren. Dat is iets anders dan de vraag of leerlingen homoseksuele klasgenoten gelijkwaardig vinden of als vriend accepteren.

Uit afwijzing van een verplichting voor alle scholen kan daarom geen afwijzing van homoseksuele mensen worden afgeleid. Omgekeerd bewijst de lage steun voor Paarse Vrijdag ook niet dat de campagne onnodig of schadelijk is.

Voor een uitspraak over het effect van Paarse Vrijdag zou ander onderzoek nodig zijn: met een duidelijke vergelijking tussen scholen of leerlingen, een meting vóór en na de activiteit en aandacht voor mogelijke ongewenste effecten en alternatieve verklaringen.

Dat onderzoek is in deze rapporten niet gedaan.

Wat zeggen de onderzoeken dan wél?

Het HBSC-onderzoek geeft een serieus signaal. Jongeren antwoorden in 2025 aanzienlijk minder positief op vragen over vriendschap met homoseksuele jongeren en over twee jongens of meisjes die zoenen. Ook verwachten minder leerlingen dat iemand op school open kan zijn over zijn of haar seksuele oriëntatie.

Dat verdient aandacht van ouders, scholen en beleidsmakers. Homoseksuele leerlingen moeten veilig naar school kunnen, mogen niet worden gepest en moeten erop kunnen vertrouwen dat leraren ingrijpen bij uitsluiting of bedreiging.

Maar ook een zorgwekkende uitkomst moet nauwkeurig worden uitgelegd.

De twee onderzoeken laten niet één eenvoudige acceptatieschaal zien. Zij meten onder meer:

  • gelijkwaardigheid;
  • vrijheid om verliefd te worden;
  • bereidheid tot vriendschap;
  • een emotionele reactie op zoenen;
  • verwachtingen over openheid op school;
  • een opvatting over sekse en gender;
  • steun voor Paarse Vrijdag;
  • steun voor genderneutrale toiletten.

Dat zijn geen uitwisselbare vragen. Wie ze allemaal samenvat als ‘lhbtiq+-acceptatie’, verliest belangrijke verschillen uit het oog.

Wat betekent dit voor scholen?

Een school hoeft niet te kiezen tussen niets doen en leerlingen één bepaalde visie laten onderschrijven.

Zij kan een duidelijke gezamenlijke basis bewaken:

  • ieder kind is gelijkwaardig;
  • pesten, uitschelden, bedreigen en discrimineren worden begrensd;
  • homoseksuele en lesbische leerlingen mogen open zijn over wie zij zijn;
  • leerlingen mogen vragen stellen en van mening verschillen;
  • discussie over sekse, gender en schoolbeleid wordt niet automatisch verward met een oordeel over de waarde van mensen.

Juist bij gevoelige onderwerpen is dat onderscheid belangrijk. Veiligheid vraagt duidelijke grenzen aan gedrag. Een open onderwijsomgeving vraagt daarnaast ruimte om argumenten, begrippen en beleidskeuzes te onderzoeken.

De cijfers geven reden tot zorg, maar niet tot minder nuance. Ze laten vooral zien hoe belangrijk het is om steeds opnieuw te vragen:

Wat is precies onderzocht, welke conclusie volgt daaruit en welke betekenis wordt er vervolgens aan toegevoegd?

Bespreek dit met de school

Wilt u weten hoe uw school omgaat met veiligheid, pesten en respect voor verschillen? Gebruik onze voorbeeldbrief om daar concreet naar te vragen.

Gebruik de voorbeeldbrief