Wetenschappelijke toets
Astra op ontdekking: wat klopt er niet aan de onderbouwing?
Astra op ontdekking verwijst naar onderzoek en wetenschappelijke consensus om uitspraken over uitsluiting, biologie, beïnvloeding en suïcidaliteit te onderbouwen. Bij zulke onderwerpen is niet alleen van belang óf een bron wordt genoemd, maar vooral wat precies is onderzocht: welke groep, welke vraagstelling, welke uitkomst en welk onderzoeksontwerp. Hieronder toetsen we zes centrale claims. Daarbij maken we steeds onderscheid tussen wat de aangehaalde literatuur daadwerkelijk laat zien en welke ruimere conclusie de handleiding eraan verbindt.
Claim uit de handleiding
De handleiding gebruikt cijfers over pesten, uitsluiting en beperkende stereotypen als onderbouwing voor de lessenreeks als geheel.
Wat het onderzoek werkelijk laat zien
Er is overtuigend onderzoek dat lhbti-leerlingen vaker een onveilig schoolklimaat en pestgedrag ervaren. Ook zijn ondersteunende schoolpraktijken in onderzoek geassocieerd met minder pesten. Gower en collega’s analyseerden gegevens van 31.183 leerlingen uit klas 9 en 11 en beleid van 103 scholen. Scholen met meer ondersteunende maatregelen rapporteerden gemiddeld minder relationeel pesten en minder intimidatie op grond van seksuele oriëntatie.
Dit was observationeel onderzoek onder adolescenten. Het toont een verband, geen oorzakelijk effect, en onderzocht Astra noch lessen voor kinderen van zes tot negen jaar. Onderzoek laat daarnaast zien dat lessen stereotypen enigszins kunnen verminderen. Een kleine interventiestudie bij 54 kleuters vond na twee maanden een afname op één maat voor stereotiep classificeren. Ook dat onderzoek ging niet over genderidentiteit of het idee dat sekse een spectrum is.
Waarom de conclusie verder gaat dan het bewijs
De probleemanalyse – pesten en beperkende stereotypen bestaan en verdienen aandacht – is verdedigbaar. De keuze voor precies de begrippen, opdrachten en leerdoelen van Astra volgt daar niet automatisch uit. Om die stap wetenschappelijk te onderbouwen is onderzoek nodig naar deze specifieke lessen, bij deze leeftijdsgroep, met vooraf bepaalde uitkomsten en een passende vergelijkingsgroep. Zo’n effectevaluatie wordt in de handleiding niet aangehaald.
Claim uit de handleiding
In de onderbouwing worden seksuele oriëntatie en genderidentiteit samengenomen wanneer wordt gesteld dat beide biologisch zijn bepaald en niet door onderwijs kunnen worden beïnvloed.
Wat het onderzoek werkelijk laat zien
Seksuele oriëntatie en genderidentiteit zijn verschillende onderzoeksconstructen. Seksuele oriëntatie omvat aantrekking, gedrag en identiteit ten opzichte van mogelijke partners. Genderidentiteit gaat over iemands zelfbegrip als man, vrouw of een andere gendercategorie. Voor beide begrippen worden andere vragen, uitkomstmaten en onderzoekspopulaties gebruikt.
De grote genetische studie van Ganna en collega’s onderzocht bijvoorbeeld of deelnemers ooit seks hadden gehad met iemand van hetzelfde geslacht. Dat is een maat voor seksueel gedrag. De studie onderzocht geen genderidentiteit en kan daar dus geen conclusie over dragen. Zelfs voor seksuele oriëntatie dekt deze maat niet alle dimensies: gedrag is niet hetzelfde als aantrekking of zelfidentificatie.
Waarom de conclusie verder gaat dan het bewijs
Een studie naar gelijkgeslachtelijk gedrag mag niet worden gepresenteerd als biologisch bewijs voor transgender-zijn. Wie een algemene uitspraak doet over “lhbti+” moet per onderdeel aangeven welk verschijnsel is onderzocht. Anders worden resultaten uit de ene onderzoekslijn ten onrechte overgezet naar een andere.
Claim uit de handleiding
De handleiding stelt dat seksuele oriëntatie en genderidentiteit biologisch, genetisch en al in de baarmoeder bepaald zijn.
Wat het onderzoek werkelijk laat zien
De studie van Ganna en collega’s omvatte 477.522 deelnemers. Zij vond vijf genetische loci die statistisch samenhingen met ooit gerapporteerd gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag. Alle gemeten genetische varianten samen verklaarden naar schatting 8 tot 25 procent van de variatie. De auteurs schreven expliciet dat de uitkomsten geen betekenisvolle voorspelling van het gedrag van een individu mogelijk maken. Bovendien gold het onderzoek voor seksuele ervaring, niet voor genderidentiteit.
Voor genderidentiteit zijn associaties onderzocht met erfelijkheid, prenatale hormonen en hersenkenmerken, maar zulke studies hebben uiteenlopende definities, vaak kleine of geselecteerde steekproeven en laten geen enkelvoudige oorzaak zien. Een Japanse tweelingenstudie met gegevens van duizenden tweelingparen vond familiale invloeden op enkele vragen over genderdysforiekenmerken, maar geen steun voor de getoetste theorie over prenatale hormoonoverdracht. Associatie is bovendien geen bewijs dat een kenmerk vóór de geboorte volledig vastligt.
Waarom de conclusie verder gaat dan het bewijs
“Biologisch beïnvloed” is niet hetzelfde als “genetisch veroorzaakt”, en “genetisch beïnvloed” is niet hetzelfde als “prenataal vastgelegd”. Complexe menselijke eigenschappen kunnen door meerdere factoren worden beïnvloed zonder dat één factor noodzakelijk of voldoende is. De literatuur rechtvaardigt de formulering dat biologische factoren worden onderzocht en waarschijnlijk een rol spelen. Zij rechtvaardigt niet de stellige boodschap dat seksuele oriëntatie en genderidentiteit beide genetisch en in de baarmoeder zijn bepaald.
Claim uit de handleiding
De handleiding stelt dat bij homoseksualiteit of transgender-zijn “geen sprake is van sociale besmetting” en gebruikt dit als antwoord op de vraag of kinderen door lessen kunnen worden beïnvloed.
Wat het onderzoek werkelijk laat zien
Er is geen goede basis voor de eenvoudige voorstelling dat een les een kind homoseksueel of transgender “maakt”. Maar dat beantwoordt niet de bredere pedagogische vraag. Onderwijs kan invloed hebben op welke begrippen kinderen leren, welke verschillen zij opvallend vinden, hoe zij gevoelens interpreteren en welke sociale etiketten zij gebruiken.
Een les hoeft een gevoel niet te veroorzaken om toch invloed te hebben. Onderwijs kan kinderen woorden en uitleg geven waarmee zij hun gevoelens gaan begrijpen. Een meisje dat zich niet herkent in vaste meisjesrollen kan bijvoorbeeld leren om dat verschil te zien als een vraag over haar identiteit. Hetzelfde gevoel had ook kunnen worden uitgelegd als één van de vele manieren waarop iemand meisje kan zijn.
Daarom is de keuze van woorden belangrijk. “Een les maakt een kind transgender” en “een les heeft helemaal geen invloed” zijn niet de enige twee mogelijkheden.
Experimenteel onderzoek laat zien dat de manier waarop volwassenen categorieën benadrukken ertoe doet. Bigler en collega’s deelden 61 kinderen van zes tot negen jaar in willekeurige kleurengroepen in. Wanneer leerkrachten die groepen vier weken functioneel gebruikten, ontwikkelden kinderen meer voorkeur voor de eigen groep. Een ander experiment met 62 kleuters liet zien dat lessen over de veranderlijkheid of juist vastheid van biologische kenmerken hun begrip van genderconstantheid veranderden. Die lessen veranderden in dat onderzoek niet aantoonbaar hun seksetypering.
Waarom de conclusie verder gaat dan het bewijs
Deze studies bewijzen niet dat uitleg over genderidentiteit een kind transgender maakt. Ze laten wel zien dat de tegenstelling “besmetting of helemaal geen invloed” ondeugdelijk is. Tussen het ontstaan van gevoelens, de interpretatie van gevoelens, het leren van categorieën en het aannemen van een identiteit bestaan belangrijke verschillen. Een zorgvuldige handleiding zou die onderscheiden en geen absolute uitspraak doen waarvoor geen direct onderzoek bij Astra-leerlingen wordt aangehaald.
Claim uit de handleiding
De handleiding spreekt over een hoog aantal “suïcides” onder lhbti+-jongeren en verbindt dit aan uitsluiting en gebrek aan acceptatie.
Wat het onderzoek werkelijk laat zien
Onderzoek toont een ernstig verhoogd risico op suïcidale gedachten en pogingen bij seksuele minderheidsjongeren. Veel geciteerde cijfers komen echter uit vragenlijsten en meten geen overlijden. In de Amerikaanse Youth Risk Behavior Survey van 2017 meldde 47,7 procent van de lesbische, homoseksuele of biseksuele scholieren in het voorafgaande jaar ernstig een poging te hebben overwogen; 23,0 procent rapporteerde een poging en 7,5 procent een poging waarvoor medische behandeling nodig was. Dat zijn zorgwekkende cijfers, maar het zijn geen percentages overleden jongeren.
Onderzoek naar daadwerkelijke suïcidesterfte is moeilijker, omdat seksuele oriëntatie en genderidentiteit doorgaans niet systematisch op overlijdensakten worden vastgelegd. Haas en collega’s wijzen er daarom op dat hoge aantallen gerapporteerde pogingen niet rechtstreeks kunnen worden omgezet in betrouwbare sterftecijfers voor lhbti-groepen. Pesten, discriminatie en afwijzing zijn relevante risicofactoren, maar uit dwarsdoorsnedeonderzoek kan niet worden afgeleid dat één factor alle verschillen veroorzaakt of dat één specifieke lessenreeks suïcide voorkomt.
Waarom de conclusie verder gaat dan het bewijs
De ernst van suïcidaliteit hoeft niet te worden afgezwakt om terminologisch precies te zijn. Schrijf “suïcidale gedachten en pogingen” wanneer dat is gemeten en “suïcides” alleen bij geregistreerde sterfte. Noem daarnaast leeftijd, land, meetperiode en populatie. Zonder die informatie wekt een percentage meer zekerheid dan de bron biedt.
Claim uit de handleiding
De handleiding stelt dat ongeveer de helft van transpersonen vóór het tiende levensjaar “wist trans te zijn”.
Wat het onderzoek werkelijk laat zien
Bij deze bewering is de exacte vraagstelling beslissend. In de U.S. Transgender Survey van 2015 zei 60 procent van de volwassen respondenten dat zij op tienjarige leeftijd of eerder begonnen te voelen dat hun gender anders was dan het geslacht op hun oorspronkelijke geboorteakte. Op de andere vraag – wanneer zij begonnen zichzelf als transgender te zien, ook als zij dat woord nog niet kenden – antwoordde 10 procent “vijf jaar of jonger” en 16 procent “zes tot tien jaar”. Dat is samen 26 procent, niet “de helft”.
Een latere secundaire analyse van dezelfde enquête gebruikte weer een iets andere formulering: wanneer deelnemers voor het eerst beseften dat hun genderidentiteit afweek van maatschappelijke verwachtingen bij hun geboortegeslacht. Daarin viel 59,2 procent in de categorie tien jaar of jonger en 40,8 procent in de categorie ouder dan tien. Dit illustreert dat “zich anders voelen”, “afwijken van verwachtingen” en “weten transgender te zijn” geen onderling uitwisselbare uitkomsten zijn.
Daar komt bij dat volwassenen achteraf rapporteerden over hun jeugd. De oorspronkelijke enquête was een doelgerichte online steekproef met werving via netwerken en snowball sampling. De onderzoekers schrijven zelf dat de generaliseerbaarheid daardoor beperkt is. De gegevens beschrijven de herinneringen van volwassen deelnemers; zij volgen geen representatieve groep kinderen prospectief door de tijd.
Waarom de conclusie verder gaat dan het bewijs
Het onderzoek laat zien dat veel transgender volwassenen vroege gevoelens van verschil of incongruentie rapporteren. Het toont niet dat de helft van alle transpersonen vóór hun tiende als kind het begrip “transgender” kende, zichzelf destijds zo benoemde of dat zulke gevoelens bij een willekeurig kind de latere uitkomst voorspellen. De handleiding moet daarom de oorspronkelijke vraagstelling weergeven en het retrospectieve, niet-representatieve karakter van de bron noemen.
Vraag uw school of Astra op ontdekking wordt gebruikt en bespreek uw bezwaren.
Gebruik de voorbeeldbrief